“Oma Knotje”
Langs de Leidsevaart zit een eenzaam oud vrouwtje. Haar handen zijn gerimpeld en liggen in alle rust op haar schoot. Aan haar rechterkant staat een tas met daarin allerlei spulletjes. Deze heeft zij altijd bij zich. Haar handen, die duidelijk sporen vertoonde veel meegemaakt te hebben, hielden een aantal breipennen vast. Aan haar linkerhand, op het bankje, lagen nog enkele breipennen. Ze wist niet welke ze moest kiezen, althans die indruk maakte ze. Ook haar gelaat vertoonde sporen van veel lasten die ze in de jaren te dragen had gehad. Rimpels die haar echter niet ontsierden het gaf haar wel wijze uitstraling. Getekend door de jaren van zorgen. Maar ook zag je heel duidelijk dat zij sterk was. Al de jaren van pijn en moeite hadden haar niet haar levenslust ontnomen. Ze had, ondanks het verlies van haar geliefde man, toch vele jaren met vreugde kunnen meemaken. Zij was ook om die reden terug gegaan, na de dood van haar man, naar het dorp waar ze getouwd was, waar haar kinderen werden geboren daar waar zij de langste plezierige jaren van haar leven had door gebracht.
Het toen nog Dorp zijnde was nu allang geen Dorp meer dat werd bewezen door de ruim 25.000 inwoners. Toch waren er voor haar nog altijd herkenbare plekken. Op een zo’n plek zat zij nu. Op dit bankje had zij vroeger ook vaak gezeten. Nu zag zij dat veel moeders, net als in haar tijd, kinderen naar school brachten. Veel moeders herkende zij want dat waren vriendinnetjes van haar dochter geweest. Kinderen die nu ook voor iemand kleinkinderen waren. Zelf had zij nooit het genoegen gehad om kleinkinderen te begroeten.
Daar waren enkele omstandigheden. die niet plezierig waren geweest, de oorzaak van. Zowel haar dochter als zoon hadden het te druk gehad met het opbouwen van een carrière. Dit had tot gevolg dat zij beidde vroeg het huis uit waren gegaan en hun ouders vergeten waren. Haar man had daar tot aan zijn dood verdriet over gehad. Het leek wel of zij zich waren gaan schamen voor hun ouders. Als ze hadden voorgesteld om mee te gaan naar de een of andere gelegenheid werden ze door hun kinderen met een kluitje in het riet gestuurd. De boodschap was wat hun betreft duidelijk over gekomen. Zij hadden dus geen tweede poging gedaan. Het was nu al twintig jaar geleden dat ze iets van hun kinderen had gehoord of zelfs had gezien. Dat zij met hun tweetjes uit het toenmalige dorp waren vertrokken had hier ook mee te maken gehad. De laatste opmerkingen van hun kinderen had toen de doorslag gegeven. Er werd hun meegedeeld dat zij niet meer welkom waren en als ze langs wilde komen moesten zij eerst maar een afspraak maken.
Dit kwam door het feit dat de ouders langs waren gegaan bij hun kinderen. Toen zij binnen kwamen werd hun al heel snel duidelijk dat de kinderen zich schaamden voor hun ouders tegenover de aanwezige gasten. Al snel kregen zij de boodschap dat zij niet in deze kringen thuis hoorden. Nee deze opmerking kwam niet van de aanwezige gasten maar van hun eigen kinderen. Zij was maar en gewone volkse vrouw geweest. Toen zij er beidde vroegen wat dit te betekenen had, kregen zij het antwoord dat voor hen duidelijk genoeg was geweest om te vertrekken naar verre oorden.
Lang had zij intens gehuild haar man had, ondanks zijn eigen verdriet, vaak haar tranen opgedroogd door ze liefdevol van haar gezicht te deppen. Waarbij hij altijd wel lieve woordjes ter vertroosting wist te vinden. Dit alles is nu zo’n twintig jaar geleden. Zij wist, van verhalen, dat zowel haar dochter als haar zoon geen kleinkinderen hadden verwekt. Elke vrije minuut was toen in gegaan naar het geld dat zij hadden kunnen verdienen. Zij zelf hadden vele vrienden gekregen. Vrienden die kinderen hadden gehad door wie zij soms omaatje en opaatje werden genoemd. Zij werden vaak gevraagd door de kinderen zij werden gezien als grootouders. Met beide handen hadden zij dit toen aangepakt. Dit had al die jaren hun hart veel goed gedaan. Totdat er twee agenten voor de deur stonden. Deze twee keken zo somber dat zij al een vermoede kreeg. Zij kreeg het eerst warm toen ijskoud. Haar man was dood gereden door een dronken automobilist. Haar liefste was niet meer. Ook was er niemand meer die haar tranen nu nog liefdevol kon weg wrijven.
Op de begrafenis had zij lang staan huilen en door de tranen heen bleef ze kijken naar haar zoon en dochter. Tevergeefs. Op dat moment voelde zij hoe een scherp mes haar hart doorsnee. Korte tijd later had zij daar alles in de steek gelaten te veel plekken die haar aan haar liefste zouden moeten laten denken. Nu zat zij op het bankje in gedachten verzonken. Een tijd geleden had zij zelf ook op haar dood zitten wachten. Toen zij dit zelf ging begrijpen kwam weer die vechtlust naar boven. Nee zij wilde nog vele jaren door gaan en de mensen of kinderen om haar heen nog ietwat vreugde te bezorgen.
Zo kwam het dat zij de breipennen ter hand had genomen. Op haar manier zou zij nog veel plezier beleven aan de jeugd. Een horend oor was altijd welkom had zij in de loop van de vele jaren geleerd en begrepen. Zij had dit stekje dus heel duidelijk uit gekozen. Veel scholieren kwamen hier voorbij. Veel ouders met kleine kinderen kwamen hier wandelen. Of de honden werden uit gelaten. De kinderen waren aan haar gewend geraakt en zwaaide naar haar sommige kwamen zelfs regelmatig een praatje maken. Waardoor zij opleefde. Haar “accu” werd dan weer even opgeladen. Er verscheen altijd een heel brede glimlach op haar lieve gelaat als er iemand riep: “Goedemorgen, Oma knotje”. Of riep: “Omaatje alles goed?”. Dit was niet uit des respect maar was altijd lief bedoeld.
Zij had het eigenlijk, niet bewust, uitgelokt. Altijd had zij knotjes wol bij zich. Veel kinderen hadden ook al eens een sjaal of das van haar gehad. Er waren er die wanten hadden gehad. Geen van de kinderen was ondankbaar geweest. De laatste dagen waren bijzonder nat en slecht geweest. Waardoor zij enkele dagen thuis had moeten blijven. Aan de reactie van de kinderen te horen, waren ze blij dat ‘Omaatje’ weer terugwas, zij hadden haar gemist. Uitgebreid werd zij weer begroet “Hallo Oma knotje” hoorde zij veel kinderen roepen. Dit deed haar goed en weldra hoorde je de breipennen weer driftig tegen elkaar tikken. Morgen zou het meisje terug komen om haar sjaaltje op te halen. Zij had dit lieve kind nog niet eerder gezien.
Het kind vertelde aan haar dat zij pas was komen in deze straat. Haar vader en moeder waren gescheiden. Zelf was ze nu al acht jaar. Wat kon dit kind lekker keuvelen. Het gebeurde steeds vaker dat het kind bij haar kwam zitten gezellig werd er dan gebabbeld. Haar nieuwe moeder, zoals het kind haar noemde, zag iedere keer weer met plezier dit tafereel. Ook de ‘nieuwe moeder’ vond het prachtig dat het kind het zo goed kon vinden met dit oude vrouwtje. Het kind had van beide kanten geen grootouders. Ze had afgesproken dat zij morgen vroeg weer terug zou komen. Waarop Oma knotje had gezegd: “Dan is jouw sjaal klaar”. Al vanuit de verte, de volgende morgen, zag het kind ‘Omaatje’ zitten.
Heel ver achter het lieve kind volgde haar vader. “Goedemorgen Omaatje” riep het ding al van ver. “Heeft u lekker geslapen?” Vroeg ze. “Ja ik heb heerlijk geslapen, en ben vroeg op gestaan om jouw sjaaltje af te kunnen maken”. Waarop “Omaatje” een knuffel kreeg. En legde het wollen sjaaltje om de nek van het jonge ding. Haar gezichtje straalde plezier uit. ‘Omaatje’ sloeg dit gade en moest een traantje weg pinken. Haar hart werd er warm van. Ondertussen is de vader dichterbij gekomen. Een toch al wat oudere man. Ook getekend door het leven. “Kijk eens Papa wat ik van ‘omaatje’ heb gekregen, vind je het mooi?” Onder tussen rond draaiend als was ze een professioneel model. Vader glimlacht en kijkt naar het oude vrouwtje. Hij kijkt haar goed aan, zij kijkt hem goed aan en even later liggen deze twee huilend bij elkaar in de armen. Tot grote verbazing van het kind. |
||