overal kom ik je tegen ,

bij kaarslicht,
in mijn pen,
onder mijn huid.

Ik blies je uit,
schreef je weg,
spoelde je af.

Maar nog steeds betrap ik je op mijn lippen,
je diepe denken tussen mijn rimpels.

Zojuist kroop je in mijn oog en moest ik je eruit huilen